Mijn persoonlijke weg en mijn ontmoeting met meester André Jean

 

Op negenjarige leeftijd heb ik tijdens de turnles mijn voorarm gebroken. Het was een ingewikkelde breuk en de kans op volledig herstel was miniem. In die tijd waren de implantatietechnieken van metalen platen en vijzen om het bot op zijn plaats te houden nog niet zover gevorderd als nu.  Mijn ouders hebben er alles voor gedaan opdat ik niet voor de rest van mijn leven met een geblokkeerde pols zou zitten. Uiteindelijk zijn ze bij een chirurg beland die dat kon waarmaken.  De littekens van de operatie waren een metalen plaat met vijzen in mijn arm en natuurlijk ook een grote aanpassing van het gebruik van mijn linkerpols.

Daarenboven had ik ook last van astma, was ik angstig en beleefde ik weinig plezier met mijn klasgenoten, aangezien ik telkens een buitenstaander was door mijn dubbele fysieke handicap. Tijdens mijn revalidatie in het ziekenhuis beslisten mijn ouders om te verhuizen naar een straat die mij altijd is bijgebleven. Ik leerde er immers een speelkameraad kennen van wie de vader later mijn Meester zou worden. Hij was mijn buur en vanuit mijn raam hoorde ik ‘s avonds “Kiai” kreten en doffe slagen van het vallen afkomstig uit de Dojo. Ik zou nooit gedurfd hebben  mij in te schrijven voor zulke lessen, ik was er echt van verschrikt. In onze straat woonde niet alleen André Jean, maar ook Henri Poels.

De jaren gingen voorbij en vaak zei men: “En, nog steeds niet op de mat gestaan?  We zullen je niet doden, hoor.  Bovendien zou het helpen om je arm te versterken en zou je leren ademen om je astma beter onder controle te houden.” Uiteindelijk heeft de zoon van mijn Meester mij voor een ultimatum geplaatst met de woorden: “Ik ben het beu om jou zo te zien, je zal mijn vaders lessen volgen of anders,…”. Hij was 15 jaar, groot en sterk. Ik wou zoals hem zijn, gerespecteerd door zijn kameraden.

Hij herhaalde voortdurend: “Hou je recht, je wordt een bultenaar, kijk eens hoe je ademt, enz…”. Uiteindelijk heeft hij me bij de kraag gevat en toen stond ik - buiten mijn wil om – op de mat met een Kimono op de rug.  Ik vluchtte vaak naar de rand van de Tatami om niet uitgenodigd te worden door deze grote bruten, ik wou er niet heen gaan...  Maar in mijn eerste Judolessen zijn ze mij een voor een komen halen om me te leren vallen.

Vanaf die periode heb ik de Tatami nooit meer verlaten. Het was niet makkelijk, ik kwam van ver en het lukte mij niet om de hypermotivatie en de heftigheid in mij te kanaliseren. Onbewust zette ik een deel van deze agressiviteit van me af door gitaar te spelen. Na wat Flamenco of Blues voelde ik me kalmer. Trouwens, de mooiste composities kwamen altijd wanneer ik me slecht in mijn vel voelde. Ik was toen 14 jaar en mijn muziekleraars beloofden me een muzikale carrière in klassieke gitaar. De gitaar had een ongelofelijk revalidatie-effect op mijn pols en de martiale kunsten versterkten mij nog meer. Deze leerden mij ook mijn nervositeit tijdens de audities te overwinnen door mijn mentale gesteldheid beter onder controle te houden.

 

Mijn eerste discipline was dus Judo; dit was rond het jaar 1966. Ik spreek dan natuurlijk over een tijd waarin de competitie deze prachtige kunst nog niet had verdorven en gedenatureerd. Toen bestudeerde men de Judo nog tot in de kleinste details, zelfs de reanimatietechnieken – Kwatsu – werden aangeleerd. Alle disciplines werden in de Dojo toegepast en het aantal leerlingen in elke discipline was indrukwekkend. Op zo’n hoeveelheid beoefenaars was de motivatie vanzelfsprekend heel divers. Hoewel de Westerse geest, materialistisch en gretig naar een schijnbare doeltreffendheid, spiritueel gesproken niet klaar was om de werkelijke kennis en het begrip van de “Do” te ontvangen,  toch werd de hand bij mijn Meester steeds aangereikt om de zelfs de meest weerspannige aikidoka naar de Weg te begeleiden.

 

Maar voor die “sportievelingen” was interesse tonen voor de “Do” een vorm van zwakheid, een vlucht voor het gevecht. Hun enige bekommernis was het scoren van het punt “ippon”.  Hoewel de Sensei probeerde om hen de Weg aan te leren, waren er op dat vlak slechts weinig uitverkorenen. Als bij toverslag zag een zekere “elite” uiteindelijk toch het licht, waarvan sommigen ontwaakten en openbloeiden. Hiervan beoefenen velen vandaag nog steeds de martiale kunsten, in tegenstelling tot de kampioenen van toen, omdat ze weten dat de weg van de “Michi” minstens een heel leven vergt. Na twee jaar intensieve Judo-beoefening, interesseerde ik me onmiddellijk voor de “Do”. Het is van dan af dat ik eveneens de studie begon van Aikido, Karate, Kendo en vervolgens Iaido, Kobudo en Jo. Op 16-jarige leeftijd trainde ik al meer dan 25 uur per week in alle toegankelijke Do’s van die tijd.

 

Het feit dat ik fysisch benadeeld was, was uiteindelijk een geluk voor mij, zoniet was ik misschien een “tireur de Kumikata” geworden. Ik begon de zin, die mijn Meester enkele jaren tevoren had gezegd, te begrijpen: “De eerste wordt de laatste, en de laatste wordt de eerste”. De traditionele krijgskunsten namen dus een bevoorrechte plaats in in mijn leven, zodat ik minder uren aan de muziek besteedde. Na verloop van tijd behaalde ik Dan in verschillende disciplines. Dankzij mijn Sensei ontdekte ik de boeken van Nyoiti Sakurazawa en de werken over Zen.

Ik bestudeerde alles over de toepassing van Yin-Yang, zoals de natuurlijke Chinese geneeskunde, acupunctuur, Chiatsu, Kwatsu, Do-in, homeopathie en, het allerbelangrijkste, de zuiverende Zen keuken die Sensei Sakurazawa de Macrobiotiek noemde.

Deze manier van koken was wel degelijk de “Do” van de voeding, en zelfs veel meer dan dat. Het was eten in harmonie met het Universum, eten op de juiste manier. Na bewust te zijn geworden dat wij gemaakt zijn van de Ki die we eten, van wat we inademen en van wat we denken, kon ik dus hopen op mezelf in te werken op een efficiënte manier, zowel op fysisch als mentaal vlak. Ik werd langzamerhand mijn eigen geneesheer en werd meester over mezelf, vooral door het gebruik van oosterse zelfdiagnostische methodes van N. Sakurazawa.

Persoonlijk heb ik het geluk gehad om met verschillende toestanden van Yin-Yang te experimenteren. Ik maakte veel fouten in de keuken, en veel afwijkingen, waardoor ik meermaals de kern van de Yin zowel als die van de Yang aanraakte.

 

In een volgende update:

-         de beproeving van fysische en mentale toestanden (extreem Yin en extreem Yang)

-         mijn leven in een Zen gemeenschap

Back